Hij had een tafel gereserveerd in het beste restaurant.
Ik heb al een tafel gereserveerd.
Wie zeker wilde zijn van een tafel, moest reserveren.
Daar zijn overnachtingen ook online te reserveren.
Hij reserveert de kamer in hotel Imperial.
Vanaf 2015 wordt hiervoor jaarlijks 300 miljoen euro gereserveerd.
Voor groepen en rondleidingen is het nodig op voorhand te reserveren.
Telefonisch reserveren is niet mogelijk.
Reserveer tijdig!
Er blijft 65 tot 85 procent ruimte gereserveerd voor natuur.
Vooraf waren al 250 plaatsen gereserveerd.
Via de website zijn tickets te reserveren.
Ze kon zelfs al plaatsen in restaurants reserveren en taxi' s boeken.
In sommige bedrijven is een vast bedrag gereserveerd voor kinderopvang.
Het kabinet heeft geld gereserveerd voor 135 extra mensen deze zomer.
Een miljard is gereserveerd voor onderzoek en een miljard voor sociale samenhang.
Probeer een vast tijdstip te reserveren voor je training.
De overheid moet misschien wel banen reserveren voor ouderen.
Intussen zouden al meer dan vijfhonderd klanten hun ticket hebben gereserveerd.
Het kabinet reserveert 5 miljoen per jaar voor journalistiek onderzoek.
Voor de bouw en renovatie is 61,4 miljoen euro gereserveerd.
Het bedrijf reserveerde 28 miljoen euro voor een reorganisatie.
In het regeerakkoord was al 200 miljoen euro gereserveerd voor het belastingvoordeel.
De overheid reserveert 16,9 miljoen voor onderzoek aan het hbo.
Een fonds van 55 miljoen werd gereserveerd voor de oprichting van een Universitaire Stichting.
reserveren
Kan ik (...) reserveren?
Bovendien is de vierdaagse route , kriskras door de Sierra Nevada en de Rocky Mountains , een van de mooiste van het land . Dat klinkt goed , zeg ik . ,, Kan ik reserveren?''
subject
Wie of wat (...)?
substantief
bank
kabinet
mens
stad
object
Wie of wat (...) men of wordt (...)?
substantief
bepaling
Waar, wanneer, hoe, enz. (...) men?
adverbium
alvast
exclusief
graag
jaarlijks
telefonisch
tijdig
van tevoren
vooraf
bepaling
prepositiegroep
agenda
restaurant
app
internet
site
website
verbum auxiliare of groepsvormend verbum
Welk hulpwerkwoord of groepsvormend werkwoord wordt vaak gebruikt bij reserveren?
hoeven
kunnen
moeten
- subject
- object
- verbum finitum
- bepaling
- 1iemand reserveert iets voor iets of iemand of om te + inf
- bedrag
- Voor de overeengekomen gezamenlijke wensen moeten jullie samen periodiek vaste bedragen reserveren .
- euro
- In 2011 moesten verzekeraars 3,5 miljard euro reserveren .
- geld
- De regering wil echter geld reserveren in fondsen voor als de olievoorraad is uitgeput .
- ruimte
- Er blijft 65 tot 85 procent ruimte gereserveerd voor natuur .
- tijd
- Wil ik meer rust in mijn agenda , dan moet ik vooraf tijdblokken inplannen waarin ik ongestoord kan werken en ook tijd reserveren voor de onderbrekingen die er elke dag weer zijn .
- bewoner
- Vanaf volgende maand zijn 15 van die plaatsen gereserveerd voor bewoners .
- investering
- Het overgrote deel , 16 miljard euro , is gereserveerd voor investeringen in beleggingsfondsen die op hun beurt in bedrijven participeren .
- mens
- Stukjes potentieel woongebied werden gereserveerd voor mensen met geld .
- onderzoek
- Een miljard is gereserveerd voor onderzoek en een miljard voor sociale samenhang .
- vrouw
- Een derde van alle zetels is gereserveerd voor vrouwen .
- om
- Zijn ploeg had de hele dag gereserveerd om reddingstechnieken aan te leren .
iemand maakt of houdt iets vrij voor iets of iemand of bestemt iets uitsluitend voor iets of iemand- Voor de regeling is vanaf 2017 een bedrag gereserveerd van 140 miljoen euro , verdeeld over vijf jaar .
- (meer voorbeelden)
- 2iemand reserveert iets ticket, plaats, tafel voor iets
- auto
- Medewerkers krijgen daar inzicht in de auto' s die beschikbaar zijn en kunnen een auto naar keuze reserveren .
- hotel
- Het ticket was al betaald , het hotel gereserveerd – dus vooruit maar .
- hotelkamer
- Je mag toch veronderstellen dat een minderjarige geen hotelkamer kan reserveren ?
- parkeerplaats
- De website raadt aan parkeerplaats op voorhand te reserveren .
- plaatsje
- Wie geen plaatsje reserveerde , is eraan voor de moeite .
- plek
- In het Vondelpark kan je van tevoren geen plek reserveren .
- stoel
- Een stoel die gereserveerd was , blijft onbezet ”, schreef hij enkele dagen voor de viering in een opinieartikel in deze krant .
- tafel
- Hij had een tafel gereserveerd in het beste restaurant .
- ticket
- Ik zal kijken of er al tickets gereserveerd zijn .
- zaal
- In het restaurant wijst hij de trap naar boven , waar hij een zaaltje gereserveerd heeft .
- voor
- U kunt bij ons reserveren voor proeverijen vanaf 10 personen .
iemand laat iets vrijhouden; iemand boekt iets; iemand bespreekt iets- Ik zal kaartjes reserveren voor de eerste dag .
- (meer voorbeelden)
Nederlandse term: onderwerp. Van wie of wat gaat de handeling of werking van het verbum uit? Het gaat hier om zogenaamde semantische of logische subjecten bij het hoofdwerkwoord. Vaak valt het semantische subject samen met het grammaticale subject (het subject van de zin), maar dat is zeker niet altijd het geval. In passieve zinnen kan het semantische subject uitgedrukt zijn in een door-bepaling. Ook in andere zinnen met een hulpwerkwoord en een hoofdwerkwoord hoort het semantische subject bij het hoofdwerkwoord. Vergelijk:
de arts behandelt de patiënt (actieve zin)
vs.
de patiënt wordt/is behandeld door de arts (passieve zin)de kunstenaar werkt in alle rust
vs.
de kunstenaar wil in alle rust kunnen werken.
De arts is in de passieve zin niet meer het grammaticale subject van de zin. Dat is nu de patiënt bij wordt/zijn. De arts is wel nog diegene die de handeling van het verbum behandelen uitoefent en blijft van dat verbum het zogenaamde logische of semantische subject. De hele door-bepaling door de arts wordt in Nederlandse grammatica’s ook wel het handelend voorwerp genoemd. In de zin de kunstenaar wil in alle rust kunnen werken is de kunstenaar het grammaticale subject bij wil, maar het semantische subject bij werken.
Nederlandse term: lijdend voorwerp. Wie of wat ondergaat de handeling of werking van het verbum? In Woordcombinaties geven we de zogenaamde semantische of logische objecten bij het hoofdwerkwoord. In passieve zinnen verschijnt dat semantische of logische object als grammaticaal subject (zinssubject) van worden of zijn. Vergelijk:
de arts behandelt de patiënt (object in actieve zin)
vs.
de patiënt wordt/is behandeld (door de arts) (grammaticaal subject in passieve zin)
De patiënt is in de passieve zin wel nog diegene die de handeling van het verbum behandelen ondergaat en blijft het zogenaamde logische of semantische direct object van dat verbum.
Nederlandse term: onderwerp. Van wie of wat gaat de handeling of werking van het verbum uit? In de relatie 'subject bij' is het trefwoord het zogenaamde semantische of logische subject bij een hoofdwerkwoord. Vaak valt het semantische subject samen met het grammaticale subject (het subject van de zin), maar dat is zeker niet altijd het geval. In passieve zinnen kan het semantische subject uitgedrukt zijn in een door-bepaling. Ook in andere zinnen met een hulpwerkwoord en een hoofdwerkwoord hoort het semantische subject bij het hoofdwerkwoord. Vergelijk:
de arts behandelt de patiënt (actieve zin)
vs.
de patiënt wordt/is behandeld door de arts (passieve zin)de kunstenaar werkt in alle rust
vs.
de kunstenaar wil in alle rust kunnen werken.
De arts is in de passieve zin niet meer het grammaticale subject van de zin. Dat is nu de patiënt bij wordt/zijn. De arts is wel nog diegene die de handeling van het verbum behandelen uitoefent en blijft van dat verbum het zogenaamde logische of semantische subject. De hele door-bepaling door de arts wordt in Nederlandse grammatica’s ook wel het handelend voorwerp genoemd. In de zin de kunstenaar wil in alle rust kunnen werken is de kunstenaar het grammaticale subject bij wil, maar het semantische subject bij werken.
Nederlandse term: lijdend voorwerp. Wie of wat ondergaat de handeling of werking van het verbum? In de relatie 'object bij' is het trefwoord het zogenaamde semantische of logische object bij het hoofdwerkwoord. In passieve zinnen verschijnt dat semantische of logische object als grammaticaal subject (zinssubject) van worden of zijn. Vergelijk:
de arts behandelt de patiënt (object in actieve zin)
vs.
de patiënt wordt/is behandeld (door de arts) (grammaticaal subject in passieve zin)
De patiënt is in de passieve zin wel nog diegene die de handeling van het verbum behandelen ondergaat en blijft het zogenaamde logische of semantische direct object van dat verbum.
Nederlandse term: meewerkend voorwerp, e.d. Wie of wat is als ontvanger, belanghebbende of ondervinder betrokken bij de handeling of werking van het verbum? Er kunnen verschillende types indirect object
onderscheiden worden (zie Indirect object (taaladvies.net)
Deze zijn niet altijd gemakkelijk van elkaar te onderscheiden.
Nederlandse term: voorzetselvoorwerp. Het voorzetselobject of voorzetselvoorwerp is een aanvulling bij een verbum met een vaste prepositie. Adverbiale bepalingen kunnen ook ingeleid worden door een prepositie, maar in bepalingen zijn de preposities variabeler. Vergelijk:
hij wacht op zijn broer (voorzetselobject)
vs.
hij wacht op het perron, in de kamer, bij de ingang (bepaling van plaats)
Zegt iets over het subject of object in combinatie met het verbum. In de Nederlandse grammatica’s onderscheidt men een aantal zinsdelen die iets over het subject of object zeggen, met name het naamwoordelijk deel van het gezegde of predicaatsnomen bij copulae (koppelwerkwoorden) en de bepaling van gesteldheid bij zelfstandige verba. Voorbeelden:
hij is moe (naamwoordelijk deel van het gezegde)
het viel me zwaar (naamwoordelijk deel van het gezegde)
ik vind hem een schat (bepaling van gesteldheid)
hij werkt daar als portier (bepaling van gesteldheid)
Geeft antwoord op vragen als waar, wanneer, hoe, waarom, waarmee, ….?
Bijwoordelijke bepalingen kunnen in de zin vaak, maar niet altijd weggelaten worden. Vergelijk:
ze leest een boek in bed (weglaatbare of optionele bepaling)
vs.
ze woont in Brussel (niet-weglaatbare of niet-optionele bepaling)
Niet-optionele bepalingen worden ook wel complementen genoemd. Voor subtypes naar betekenis (bv. plaats, richting, …) zie: ANS | 20.10 Bijwoordelijke bepalingen (ivdnt.org). De subtypes worden hier in de regel niet onderscheiden, maar waar dat wel nodig is voor de overzichtelijkheid en het gebruiksgemak, doen we dat wel.
Zinsdelen kunnen niet alleen woorden of woordgroepen zijn, maar ook bijzinnen of beknopte bijzinnen (bijzinnen zonder subject en verbum finitum).
Voorbeelden:
ik accepteer dat het zo is (bijzin)
hij vroeg of we kwamen (bijzin)
ik weet wie het gedaan heeft (bijzin)
hij vroeg ons om te komen (beknopte bijzin)
hij probeerde te vluchten (beknopte bijzin)
Sommige verba worden vaker met (beknopte) bijzinnen gecombineerd dan andere.
Ook substantieven kunnen een (beknopte) bijzin als bepaling hebben:
een kind om te zoenen (beknopte bijzin)
De (beknopte) bijzinnen kunnen verschillende syntactische functies in een zin of zinsdeel vervullen (subject, object, bepaling, enz.). In ik accepteer dat het zo is, bijvoorbeeld, is dat het zo is een objectszin. Voor het maken van combinaties, is de functie hier minder van belang. Belangrijker is de juiste keuze van het inleidende woord (dat, of, om enz. ). Voor het gebruiksgemak geven we in deze rubriek daarom een overzicht per inleidend woord.
Nederlandse term: hulpwerkwoord of groepsvormend werkwoord. Een verbum auxiliare of hulpwerkwoord ‘helpt’ het hoofdwerkwoord in zinnen met meer dan een verbum. Het wordt onder andere gebruikt voor het uitdrukken van tijd, modaliteit (hoe ziet de spreker de verhouding tussen de mededeling en de werkelijkheid?), passief en causaliteit (het doen plaatsvinden van een handeling of werking). Behalve de verba die traditioneel tot de verba auxiliare gerekend worden, zijn er nog andere groepsvormende werkwoorden die een verbinding met het hoofdverbum aangaan, bijvoorbeeld proberen, vallen, beginnen. Zie ANS | 18.5.1.1 Groepsvorming bij werkwoorden (ivdnt.org) Voorbeelden:
verba auxiliare:
ik heb mij vergist (tijd)
hij is gekomen (tijd)
de patiënt is/wordt behandeld door de arts (passief)
je moet dat accepteren (modaliteit)
ik kan dat niet accepteren (modaliteit)
ik laat mijn huis schilderen (causaliteit)
de zon doet de temperatuur stijgen (causaliteit)
andere groepsvormende verba:
hij probeert te komen
dat valt te bezien
het begint te regenen
Alle verba kunnen vervoegd worden en veel verba kunnen gepassiveerd worden. De verba auxiliari van tijd worden getoond als u klikt op ‘vormen’. Hier vermelden we alleen de overige verba auxiliari en groepsvormende verba die opvallend vaak bij bepaalde verba voorkomen, bv. kunnen, moeten + accepteren.
Nederlandse term:
zelfstandig naamwoord
Nederlandse term: voornaamwoord
Nederlandse term: voorzetselgroep
voorbeeld
in + stad kamer …
op + platteland station
Nederlandse term: bijwoord
Nederlandse term: bijvoeglijk naamwoord
Nederlandse term: achterzetsel of achtergeplaatst voorzetsel: achterzetsel (wat is dat?) | Genootschap Onze Taal | Onze Taal
Nederlandse term: achterzetsel of achtergeplaatst voorzetsel: achterzetsel (wat is dat?) | Genootschap Onze Taal | Onze Taal
Determinatoren zijn o.a. lidwoorden (de, het, een) en woorden die een hoeveelheid uitdrukken (veel, wat, enkele). De lidwoorden worden gegeven bij de woordvormen naast het trefwoord. In deze lijst met determinatoren staan de overige determinatoren.
Nederlandse termen: voornaamwoord of telwoord
Nederlandse term: telwoord
woordgroep met een prepositie (voorzetsel) of conjunctie (voegwoord). Een conjunctiegroep is bv. een woordgroep ingeleid door als of zoals in vergelijkingen (werken als een paard, een waarheid als een koe).
Nederlandse termen: voorzetsel of voegwoord
Nederlandse termen: bijvoeglijk naamwoord, deelwoord of telwoord
Nederlandse termen: bijvoeglijk naamwoord of bijwoord. Adjectieven (bijvoeglijke naamwoorden) kunnen ook als bijwoordelijke bepaling bij een werkwoord gebruikt worden. We spreken dan van een [adverbiaal of bijwoordelijk gebruikt adjectief](https://e-ans.ivdnt.org/topics/pid/ans0802lingtopic.
Specificeert het trefwoord nader.
Specificeert het trefwoord nader.
Adpositiegroepen zijn woordgroepen met een prepositie (voorzetsel), postpositie (achterzetsel) of circumpositie (omzetsel):
op de trap (met prepositie/voorzetsel)
de trap op (met postpositie/achterzetsel)
van de trap af (met circumpositie/omzetsel)
Conjunctiegroepen worden ingeleid door een conjunctie (voegwoord). In de voorbeelden met conjunctie als:
werken als een paard
een waarheid als een koe
Adpositiegroepen zijn woordgroepen met een prepositie (voorzetsel), postpositie (achterzetsel) of circumpositie (omzetsel):
op de trap (met prepositie/voorzetsel)
de trap op (met postpositie/achterzetsel)
van de trap af (met circumpositie/omzetsel)
Conjunctiegroepen worden ingeleid door een conjunctie (voegwoord). In de voorbeelden met conjunctie als:
werken als een paard
een waarheid als een koe