zeggen

werkwoordprs = in uitdrukkingen, spreekwoorden, e.d.

We hebben onze mening gezegd en dat was het.

Ik heb gezegd dat ik dat heel mooi vind.

Hij zei dat hij eerst met partijgenoten moest overleggen.

"Ik sprak mezelf maar toe via de spiegels", zegt hij.

Dus al zegt mijn verstand 'doen', mijn hart protesteert.

Wil dat zeggen dat de taxshift een maat voor niets is?

Ik moet eerlijk zeggen dat ik dacht dat zoiets decennia zou duren.

"De natuurlijke processen moeten zo veel mogelijk worden hersteld'', zei hij.

"Er zijn geen absolute waarheden", zegt hij.

Hij zegt dat ze bij hem kwam aanbellen.

Het moment dat je 'ja' zegt, stelt eigenlijk niks voor.

Een week later, zegt hij, vluchtte hij de Turkse grens over.

Hem raken ze niet, zegt hij.

Hij deed niets alleen, zei hij.

Zelf zegt hij: "Als ik stop met produceren, verdwijn ik."

Hij haast zich erbij te zeggen dat hij geweld te allen tijde afkeurt.

Hij zei dat de wet nooit was aangenomen als hij er niet achter stond.

"Meer kunnen we er op dit moment niet over zeggen'', aldus een woordvoerder.

Wat hij precies zei, dat was door de lange bliep niet te horen.

"Ik weet niet of ik het niveau nog aan zou kunnen", zegt hij lachend.

Ongetwijfeld zullen ouders vaak zonder nadenken 'OK' zeggen; je doet maar.

Ik zeg bemoedigend dat hij gerust eerst thuis even een handdoek kan gaan halen.

"Speculaties en dromen lopen te ver vooruit op de huidige ontwikkelingen", zo zegt hij.

Van dieren, zegt hij als hij weer zit, kun je ongegeneerd veel houden.

In de praktijk wil dat zeggen dat honderdduizenden Vlamingen geen fatsoenlijke nieuwsuitzending meer zullen krijgen.

subject

Wie of wat (...)?

substantief

bedrijf

man

mens

minister

moeder

politie

regering

vader

vriend

vrouw

(1 meer)

pronomen

ander

iedereen

iemand

niemand

sommigen

object

Wie of wat (...) men of wordt (...)?

substantief

ding

gedacht

geen woord

het laatste woord

mening

naam

waarheid

zin

pronomen

alles

dat

dit

het

iets

meer

niets

niks

veel

wat

(1 meer)

tussenwerpsel

A

B

OK

foert

fuck

gedag

goedemorgen

goedendag

hallo

neen

(3 meer)

bepaling

Waar, wanneer, hoe, enz. (...) men?

adverbium

direct

duidelijk

eenvoudig

eerlijk

expliciet

gemakkelijk

gewoon

goed

herhaaldelijk

hoofdschuddend

(12 meer)

prepositiegroep

met:

blik

gezicht

glimlach

nadruk

oog

stem

woord

voorzetselobject

Met vaste prepositie (vast voorzetsel)

over:

aantal

identiteit

inhoud

kwaliteit

leven

manier

mens

onderwerp

plan

toekomst

(2 meer)
tegen:

...

van:

...

predicatieve aanvulling

adjectief of adverbium

bezorgd

boos

gelaten

geëmotioneerd

geërgerd

geïrriteerd

opgelucht

opgetogen

strijdbaar

strijdlustig

(6 meer)

pronomen

zelf

bijzin ingeleid door

hoe

waar

wat

welk

wie

verbum auxiliare of groepsvormend verbum

Welk hulpwerkwoord of groepsvormend werkwoord wordt vaak gebruikt bij zeggen?

beginnen

blijven

durven

gaan

horen

komen

kunnen

laten

moeten

mogen

(7 meer)

en/of

Welk ander zelfstandig woord wordt vaak gecoördineerd met zeggen?

denken

doen

schrijven

tonen

zwijgen

bijzin ingeleid door

dat

of

te

Er zijn (nog) geen patronen opgetekend.

Voor meer informatie over dit woord: klik op Voorbeeldzinnen of Combinatiemogelijkheden.