water

substantiefprs = in uitdrukkingen, spreekwoorden, e.d.

Het water wordt afgevoerd in de dakgoot.

Gas, water en licht betalen ze gewoon.

Dan spring je het water in en begin je te zwemmen.

De laatste maanden sluit de gemeente water af bij honderden gezinnen.

Het water gutst langs het glas.

Brak water is schadelijk voor de landbouw en voor de natuur.

Maak de sperziebonen schoon en kook ze beetgaar in water met wat zout.

Ook daar ontbrak vers water en voedsel.

Het terras is pal aan het water, reserveren noodzakelijk.

Door het water liepen mensen naar het schip.

En vuil water moet eerst gezuiverd worden voordat we het kunnen gebruiken.

Als het zachtjes regent, sijpelt het water in de grond.

Klop de eierdooier los met een klein scheutje water.

U krijgt dus warm water en geen elektriciteit.

Of ze springen het water uit, als het plotseling te warm of koud wordt.

Er is een groot tekort aan water en voedsel.

In de put staat een halve meter water.

Het bespaart veel water en dat is goed voor het milieu.

Er moet water bij de wijn, van beide kanten.

Het koude water klotst tegen je laarzen.

Ze neemt een slok water en loopt met haar spullen het plein op.

Uit een omgevallen glas lekte water op de grond.

Er viel meer regen dan dat er water verdampte.

Kinderen drinken niet genoeg water en bewegen te weinig.

Of het bassin wordt gevuld met zee- of zoet water, staat nog niet vast.

Betekenissen

subject bij

Welke werkwoorden hebben water als subject?

afkoelen

bereiken

bevatten

bevriezen

binnenstromen

breken

druppelen

gaan

gutsen

klotsen

(16 meer)

object bij

Welke werkwoorden hebben water als object?

afsluiten

afvoeren

besparen

bevatten

binnenkrijgen

dragen

drinken

gebruiken

geven

gieten

(21 meer)

determinator

substantief

bak

beker

bodem

druppel

eetlepel

emmer

fles

glas

hoeveelheid

kom

(10 meer)

pronomen of numerale

geen

meer

minder

veel

weinig

bepaling voor "water"

adjectief, participium of numerale

Nederlands

besmet

bevroren

blauw

brak

bruin

diep

donker

drinkbaar

gebruikt

(48 meer)

bepaling na "water"

prepositiegroep of conjunctiegroep

in:

Nederland

fles

gebied

kelder

leiding

meer

oceaan

reservoir

rivier

stad

(2 meer)
met:

smaak

zout

op:

Mars

aarde

rond:

Antarctica

eiland

uit:

bron

fles

grond

kraan

put

rivier

van:

gracht

rivier

zee

voor:

kust

bijzin ingeleid door

dat

waar

waarin

"water" in adpositiegroep of conjunctiegroep

prepositie of conjunctie

aan

als

bij

boven

door

in

langs

naar

onder

op

(4 meer)

postpositie

in

op

over

uit

"water" in adpositiegroep of conjunctiegroep bij een ander woord

(de) behoefte aan water

(een) gebrek aan water

aan de overkant van het water

aan de rand van het water

boven water halen

boven water halen

boven water komen

boven water komen

de aanwezigheid van water

de kwaliteit van het water

(24 meer)

en/of

Welk ander zelfstandig woord wordt vaak gecoördineerd met water?

brood

gas

land

licht

vet

voedsel

vuur

zand

in uitdrukkingen, spreekwoorden, e.d.

Gods water over Gods akker laten [lopen, stromen]

als een paal boven water staan

als twee druppels water op iemand of iets of op elkaar lijken

de kruik gaat [zo lang, zolang] te water tot [ze, hij] [breekt, barst]

de zon niet in het water kunnen zien schijnen

er [moet, zal] nog veel water door de ... stromen voor ...

geld als water verdienen

het hoofd boven water kunnen houden

het water (tussen ...) is te diep

[het water, de wateren] waarin iemand zwemt

(13 meer)

Er zijn (nog) geen patronen opgetekend.

Voor meer informatie over dit woord: klik op Voorbeeldzinnen of Combinatiemogelijkheden.